UIT MIJN KAST

Ik herinner me nog precies hoe ik 11 jaar geleden op een donkere, druilerige donderdag in februari van school naar huis fietste en dacht: "Dit is de laatste keer dat ik naar huis fiets en ik de enige ben die 'het' weet." Al twee jaar liep ik met mejuffrouw 'het' op mijn nek rond te zeulen. Ik vond haar knap lastig en schaamde me voor haar aanwezigheid. In de hoop dat ze me verlaten zou besloot ik maar dat ze niet bestond. 


Dat laatste werkte alleen niet. Het verdriet stapelde zich ongemerkt op en ik metselde een muur om mij heen. Toch bleef ik volhouden: "Mademoiselle 'het' is een fictief persoon. Ze bestaat niet.". Dat hield ik lang vol. Totdat deze jonge dame toch echt te zwaar werd om dag in dag uit te tillen. Ik was op, moe en klaar met mijn ontkenning.


Nog nooit fietste ik met zulke bezwete handen en bevende benen door het tunneltje. Nog nooit danste mijn maag zo driftig -van voor naar achter van links naar rechts- wanneer ik ongeduldig voor het stoplicht wachtte. Nog nooit sloot ik de garagepoort achter me met zo'n heftig bonzend hart. "Ik ga 'het' nu vertellen." sprak ik mezelf toe terwijl het ongemakkelijke gevoel zich iedere seconde als een bacterie vermenigvuldigde. 


Nadat ik mijn jas met tegenzin aan de kapstok hing liep ik met lood in mijn schoenen naar de woonkamer, waar mijn moeder nietsvermoedend met een kop koffie in haar handen televisie zat te kijken. "Hoe was je dag Liv?", vroeg ze zoals na elke andere schooldag. Ik gaf het gebruikelijke korte antwoord: "Goed.". Om mezelf af te leiden keek ik naar een of ander saai televisieprogramma met een onnozele pastoor.


"Zeg het Liv, zeg het nu!" fluisterde ik mezelf toe. Die aarzel-minuutjes duurden tergend lang en de spanning was te snijden. Bevroren, haast versteend zat ik daar op de leren bank."Ik ga koken." zei mijn moeder ineens uit het niets. Ze stond op en liep naar de keuken zoals ze dat altijd deed. Met lood in mijn schoenen hobbelde ik haar achterna. Nog een minuut bleef ik zenuwachtig naar haar staan kijken. Een overweldigend ongemak vulde mijn lijf.


 Terwijl mama (nog steeds nietsvermoedender dan nietsvermoedend) in haar kookboek bladerde, stond ik voor mijn gevoel op het randje van de hoogst denkbare duikplank. Mijn buik draaide wel honderd pirouettes per minuut, want ik wist dat ik eerst een sprong in het diepe moest wagen om mezelf onder te dompelen in de oneindige zee van vrijheid. Hoe lang verlangde ik er al niet naar om onbekommerd op de golven van geluk te drijven? Juist ja,  veel te lang! Dus nam ik een aanloop: "Mama," stamelde ik "ik wil je iets vertellen..." En waagde de sprong. Al hortend, stotend en snikkend kwam met veel moeite het hoge woord eruit: "Ik ik ik ik uhm... Ik val op vrouwen." 

PLONS!

Verlangend naar zuurstof zwom ik snel naar het licht, waar mijn moeder me geruststelde met een warme knuffel. "Was dat nou zo eng?" vroeg ik mezelf later af. Eigenlijk was ik niet per se bang voor haar reactie noch die van mijn vader, broers, zus of vrienden. Ik wist zeker dat zij me zouden accepteren.


Het was puur mijn eigen slopende sumo-worsteling met mijn geaardheid die het me nogal moeilijk maakte. Al snap ik het wel met klasgenoten die tijdens een spreekbeurt over het homohuwelijk paniek zaaiende uitspraken deden als "Mijn buurvrouwen zijn lesbisch, echt waar!" En dat er dan een meisje daar met nog net geen doodsangst in haar ogen dramatisch op reageerde met: "Wat erg! Meen je dat? Hoe ga je daar dan mee om?!".


Ondanks dat ik kon lachen om deze belachelijke kortzichtigheid, deed het pijn. Ik wilde niet anders zijn. Ik wilde niet raar zijn. Ik wilde 'normaal' zijn (SAAI) en op prinsen op witte paarden verliefd worden (NOG SAAIER). Ik weet niet wat ik vervelender vond: het verdriet of die ongelofelijke schaamte.


Toch leerde ik hiermee al vroeg een heel belangrijke les waarvoor ik nog steeds enorm dankbaar ben: wie ik diep van binnen ben, zal ik altijd zijn. Hoe verleidelijk het ook kan zijn om 'iemand anders te willen zijn', om niet mezelf te zijn in ruil voor waardering van anderen. Wie ik ben, ben ik nou eenmaal. Wat ik voel, voel ik. Daar kan en wil ik niet aan ontsnappen. Het leven is zoals het is en zo is het goed!


Iedereen heeft (hoe uitdagend het soms ook kan zijn) de keus: omarm ik mezelf of onderdruk ik mezelf? Hou ik van mezelf of veroordeel ik wie ik in mijn diepste wezen ben? Drijf ik in vertrouwen op de stroming van mijn rivier of probeer ik tevergeefs tegen mijn stroming in te zwemmen? Vechten tegen jouw unieke, pure, diepste wezen heeft geen zin, want jouw liefdevolle oer-kern is sterker dan elk oordeel, elk verzet en elke onderdrukking.


Ieder mens komt op een punt in zijn leven uit de kast. Daarmee bedoel ik niet per se de regenboogkast. Er zijn oneindig veel kasten waarin je je ware zelf, je allermooiste sprankelende wezen, uit schaamte kunt verstoppen. Het voelt misschien veilig om een diep geheim te bewaren, maar laten we eerlijk wezen: niets is treuriger, beklemmender en saaier dan jezelf opsluiten in een donkere, muffe en stoffige kast!


Of je nou wereldrecordhouder 100 kilometer geblinddoekt eenwieleren wil worden, zielsveel houdt van pindakaas, super blij wordt van bomen knuffelen, je ervan droomt een verre reis te maken of verder dan tot over je oren verliefd op iemand bent...


Kom naar buiten, kom uit je kast! Blaas de stoflaag van je hart, wees eerlijk en gun jezelf de frisse lucht en het stralende zonlicht! Geef je gevoel de ruimte en gun jezelf die heerlijke bewegingsvrijheid waar je naar verlangt. Laat de wereld je pure zelf zien en zeg: "Dit ben ik!", ongeacht wat anderen daarvan vinden. Dat is het allermooiste en moedigste dat er bestaat. Jij hebt het recht en de keuze om ten volste uit te leven! Ik gun het jou.